Over verwondering

        Lag je wel eens voorover in ‘t gras?
        Heb je gezien, hoè mooi of dat was?
       Over elk halmpje dat je ziet staan,
       is even, héél zachtjes, Gods hand gegaan.

Met de nadruks-steepjes op hoè en héél schreef mijn handwerkjuf dit bovenstaande gedichtje in 1971 in mijn Poëziealbum. Ik was toen 9 en ik herinner mij dat ik dit versje maar bleef lezen en herlezen. Ik kende het gedichtje al gauw uit mijn hoofd en dat is gebleven. De tekst van haar versje vind ik vanwege de diepte en de eenvoud, nog steeds het mooiste in mijn album. Het gedichtje van mevrouw Uiterwijk roept een wereld op van zomer, vakantie, van mooie natuur en verwondering. Midden in de zomer, terug van vakantie waarin we veel van de natuur hebben kunnen genieten, moest ik weer aan dit versje denken.

Het is een mini geloofsbelijdenis. Het vertelt dat al dit moois, tot in het kleine van dat ene grassprietje, verbonden is met God die alles met zoveel liefde geschapen heeft en met mij dat ik mij erover mag verwonderen. En zonder woorden suggereert dit gedicht dat God die alles met zoveel tederheid geschapen heeft ook naar ieder mens met even zoveel liefde omkijkt. Als kind denk je meestal nog niet zo na over de grote vragen van het hoe en waarom van het lijden en hoe zich dat verhoudt met een God die liefde is. Het is wel heel waardevol als je als kind leert geloven in een God die lief en teder is. Een God die tegelijk stoer en sterk is en met je meegaat als het stormt in je leven omdat Jezus aan boord is en ergens een veilige haven is waar Hij je zal brengen. Met je hoofd kun je het allemaal niet beredeneren maar het is een groot geschenk als dat wèl anker en kompas kan zijn in je leven. Woorden van liederen, gedichtjes en psalmen ooit geleerd, die soms zomaar in je hart opborrelen, kunnen houvast geven als je verder zelf geen woorden bedenken kunt.   

Een mooi lied bij de verwondering van het Poëzie-album versje is het lied van ds. Alfred Bronswijk dat hij geschreven heeft op de melodie  van gezang 466 in het Liedboek voor de Kerken.  

Wij leven van verwondering
en uit een diep vermoeden,
dat in en om ons leven heen,
een hand ons wil behoeden,
dat er een hart is dat ons draagt
dat er een stem is die ons vraagt,
dat God ons leidt ten goede.

Wij leven dwars door vragen heen,
met tere zekerheden,
dat ondanks vóór- en tegenspraak
hier kwetsbaar wordt beleden,
dat er een hand is die ons draagt
dat er een stem is die ons vraagt
dat God deelt in ons heden. 

Wij leven het mysterie uit,
de waarheid, ongemeten,
dat al ons denken bovenuit,
in ons een heel diep weten,
weet dat een hand ons leven draagt
dat er een stem is die ons vraagt
die ons een God wil heten. 

uit: Alfred C. Bronswijk, Rakelings nabij, p. 96

Wanneer zeker weten en rotsvast geloof geen houvast (meer) bieden dan geeft dit lied een andere manier van kijken. Het lied is een uitnodiging (er is een stem die vraagt) om boven het zeker (willen) weten maar los te laten en je in verwondering te laten dragen door de ‘tere zekerheden’ dat er een hart, een hand is die ons draagt, dat God nabij is in ons heden. Midden in augustus wanneer alles volop bloeit en er aan de hemel vallende sterren te zien zijn, wens ik iedereen met een zin uit gezang 466 de verwondering van ‘sterren in de nacht en bloemen op je wegen’.  

Met herderlijke groeten,
ds. Joke van der Neut