Troostradio 'Indianenverhaal' 15 juni 2020

Deze bijdrage is verzorgd door ds. Martin de Geus, voorganger in de Levensbron

U kunt hier get fragment beluisteren:

 https://www.rtvridderkerk.nl/radiotv/troostradio-indianenverhaal/

Indianenverhaal

Een bijbel hadden ze er niet voor nodig: de Indianen die in de Great Spirit, de Grote Geest geloofden. Want die Geest leerde ze een diepe eerbied voor alles wat leeft. En ik denk weleens dat ze ons daarmee lang geleden al zo ver vooruit waren dat we vandaag nog wat van ze kunnen leren, als we wegen zoeken om de coronacrisis voorbij te komen. Want die crisis is niet alleen maar domme pech. Ze is ook een gevolg van ons eigen handelen en het geloof dat ons daarbij drijft. En dan bedoel ik het geloof in het Grote Geld. Want daar is alles mee te koop, denken we. En daarom moet daar ook alles voor wijken. Desnoods hele bossen, om maar iets te noemen, ook al heten die niet voor niets de longen van de aarde. 

Maar de Indianen wisten beter. Voor hen was iedere bóóm een long. En natuurlijk heeft een mens ook hout nodig. Maar weet dan wel wat je doet als je daar een boom voor omhakt. Want ergens snijd je dan in je eigen vlees. Dat is de prijs die je moet betalen. Een eerlijke prijs. Want die boom is niet je eigendom. Die boom is van de aarde. En de aarde is van iedereen. Of zoals een Indiaanse spreuk het zei: ‘De aarde hebben wij mensen niet van onze ouders gekregen, wij hebben haar te leen van onze kinderen’. 
Met andere woorden: de aarde is geen erfgoed, niet de nalatenschap van ons voorgeslacht, maar het leengoed van ons nageslacht. En wat je léént, dat je moet je ooit een keer teruggeven. En dus die kinderen zijn ons richtsnoer. Dat is al meteen de éérste wijsheid van deze spreuk: dat we vooruit moeten kijken, om goed te leven moeten denken aan al wie ná ons komen. Dus niet denken: wie dan leeft, wie dan zorgt. Of: de mens vindt vanzelf wel weer een oplossing. En al helemáál niet: na ons de zondvloed. Dat kunnen alleen egoïsten denken.

Maar fatsoenlijke, beschaafde mensen hebben ook oog voor hun naaste. En echt wijze mensen zien die naaste niet alleen in hun tijdgenoten, maar ook al in de mensen van morgen. Want alle mensen samen vormen één geheel. En dat geheel maakt weer deel uit van de aarde. En de mens heeft daarop een speciale plaats. Dat is waar. Maar hij is zeker niet de enige. Sterker nog: zijn glorie zit hem nu juist in de zorg voor al het andere. Vanaf de grond, het water en de lucht tot en met de bloemen, de bomen en de dieren. Want dat is de twééde wijsheid in die spreuk: dat ook dàt een geheel is, een samenhangend leefsysteem. En zou het juist nu niet de tijd zijn om dat dubbel te onderstrepen? Ik denk het wel. Want dat leefsysteem hebben we zelf  ernstig verstoord. En daarom is de pandemie – behalve een lot – ook een opgave om het morgen anders te doen. 

En het kàn ook anders. In de kracht van de Grote Geest – of hoe we hem of haar maar noemen. De adem van de Schepper die als een vogel op een nieuwe wereld broedt.